Geen opbouw vakantiedagen in derde ziektejaar, dus geen uitbetaling dagen

Wetgeving
img_14
Share Icon facebook Icon linkedin Icon whatsapp

De kantonrechter ontbindt het slapend dienstverband op verzoek van de werknemer en kent een (schade)vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding toe. Aangezien de werknemer geen vakantiedagen in derde ziektejaar heeft opgebouwd, is uitbetaling van deze dagen bij einde van de arbeidsovereenkomst niet aan de orde.

Waar gaat deze zaak over?

De werknemer is op 1 april 2017 bij de werkgever in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. Zijn salaris bedraagt € 2.504,09 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. de werknemer is sinds 12 oktober 2022 arbeidsongeschikt. Sinds die datum heeft hij niet meer gewerkt voor de werkgever. Sinds 9 oktober 2024 ontvangt hij een WIA-uitkering (IVA). de werknemer vraagt nu ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betaling van de transitievergoeding en betaling van de eindafrekening.

Slapend dienstverband

Een werknemer kan ontbinding van de arbeidsovereenkomst vragen. In dit geval is sprake van een slapend dienstverband. De werknemer is al meer dan twee jaar arbeidsongeschikt en het staat vast dat hij niet meer aan het werk kan voor de werkgever.

Niet gebleken is dat de werkgever een redelijk belang heeft bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad moet de werkgever daarom als goed werkgever meewerken aan een einde van dat slapende dienstverband en daarbij aan de werknemer een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding te betalen.

Alhoewel de werknemer hier meerdere keren om heeft gevraagd, heeft de werkgever hieraan geen medewerking verleend. Het verzoek van de werknemer wijst de kantonrechter toe. Gelet op het feit dat inmiddels sprake is van een slapend dienstverband, wordt de arbeidsovereenkomst met ingang van vandaag ontbonden.

Schadevergoeding

Dde werknemer verzoekt dat de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. De werkgever moet een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding betalen. Dit is een schadevergoeding, omdat de werkgever zich niet als een goed werkgever heeft gedragen door te weigeren mee te werken aan de beëindiging van het slapende dienstverband (onder toekenning van een vergoeding).

Voor de berekening van de vergoeding wordt het dienstverband fictief bekort tot het moment waarop de bevoegdheid tot opzegging is ontstaan. Dat is 9 oktober 2024, de datum van einde wachttijd. Uitgaande van de datum van indiensttreding en het brutoloon, vermeerderd met 8% vakantiebijslag, bedraagt de vergoeding het netto-equivalent van € 6.783,25 bruto. Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf 9 oktober 2024.

Vakantiebijslag

Op grond van artikel 8.2 van de arbeidsovereenkomst heeft de werknemer recht op 8% vakantiebijslag, die jaarlijks in mei wordt uitbetaald. De werknemer stelt dat na mei 2024 geen vakantiebijslag meer is betaald. de werkgever heeft dat niet betwist.

De werknemer had recht op loon tot en met 8 oktober 2024. Daarom heeft hij ook recht op vakantiebijslag over de periode van juni 2024 tot en met 8 oktober 2024. Het blijkt dat hij over deze maanden 70% van zijn salaris ontving, wegens zijn arbeidsongeschiktheid. Daarom wordt aan vakantiebijslag over deze maanden toegewezen een bedrag van € 597,10 bruto (€ 2.504,08 x 70% x 8% x 4 8/31e maand).

Over dit bedrag is de werkgever wettelijke rente verschuldigd vanaf 30 mei 2025. De wettelijke verhoging over dit bedrag wordt gematigd tot 10%, omdat de wettelijke verhoging vooral bedoeld is als een prikkel om het loon op tijd te betalen en niet zozeer als schadevergoeding.

Afrekening vakantiedagen

Nu de arbeidsovereenkomst eindigt, moet ook een financiële afwikkeling plaatsvinden. Dit betekent onder meer dat opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen uitbetaald moeten worden.

De werknemer vraagt om uitbetaling van een totaal van 312 niet opgenomen uren. Dit verzoek valt uiteen in twee delen:

  1. dagen die zijn opgebouwd tot einde wachttijd; en
  2. dagen die zijn opgebouwd na einde wachttijd, dus toen het dienstverband al slapend was.

Opgebouwde dagen tot einde wachttijd

Volgens de werknemer was zijn verlofsaldo bij einde wachttijd 152 uren. De werkgever heeft dat niet betwist. Daarom wordt een bedrag van € 2.371,11 bruto (152 uren x € 14,45 bruto per uur x 8%) toegewezen. Over dit bedrag hoeft de werkgever geen wettelijke verhoging en wettelijke rente te betalen, omdat de betaling van de vakantie-uren pas opeisbaar is per datum van de uitspraak.

Opbouw na einde wachttijd

De werknemer verzoekt ook betaling van 160 opgebouwde uren, die volgens hem zijn opgebouwd na 9 oktober 2024. Artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt weliswaar dat alleen vakantiedagen worden opgebouwd over de periode waarin een werknemer recht heeft op loon, dus in dit geval tot 9 oktober 2024, maar deze bepaling moet buiten beschouwing worden gelaten, aldus de werknemer. Hij betoogt dat dit wetsartikel in strijd is met Europese regelgeving. In dat standpunt wordt hij niet gevolgd om de volgende redenen.

De nationale rechter moet een nationale regeling buiten beschouwing laten als deze in strijd is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest. Dit artikel bepaalt dat iedere werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in Richtlijn 2003/88/EG.

Uitspraak HvJ EU: afwijken mag soms

De kantonrechter is bekend met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU over vakantierechten. In de uitspraak van 15 juli 2025 onderkent het HvJ EU echter dat er specifieke omstandigheden kunnen zijn die een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen.

De kantonrechter oordeelt dat van zulke omstandigheden sprake is bij een slapend dienstverband naar Nederlands recht, om de volgende redenen.

Arbeidsovereenkomst inhoudsloos

Kenmerkend voor een slapend dienstverband is dat de kernverbintenissen van de arbeidsovereenkomst, te weten: het verrichten van arbeid en het betalen van loon, niet meer kunnen en hoeven te worden nageleefd. De wetgever heeft er echter niet voor gekozen om de overeenkomst in zo’n geval van rechtswege te beëindigen, terwijl de overeenkomst in feite inhoudsloos is geworden.

Geen werk om van te herstellen

Na afloop van de 104 weken waarin loon is doorbetaald en de werknemer volledige vakantiedagen heeft opgebouwd, heeft de werknemer dus geen re-integratieverplichtingen meer. Daarmee verliest de recuperatiefunctie van de jaarlijkse vakantie zijn doel. Vakantiedagen zijn immers bedoeld om werknemers de kans te geven uit te rusten en te herstellen van werk en weer op krachten te komen. De werknemer met een slapend dienstverband heeft geen werk om van te herstellen.

Recht op betaalde vakantie

Dat het vakantieloon bedoeld is om werknemers tijdens hun vakantie in een economisch vergelijkbare positie te brengen, zoals het HvJ EU herhaaldelijk heeft geoordeeld, speelt ook niet bij een slapend dienstverband. Een zieke werknemer die niet kan werken, heeft na 104 weken als uitgangspunt recht op een uitkering en op basis van die uitkering recht hebben op betaalde vakantie. Dit geldt ook voor de werknemer. Hij ontvangt immers vanaf 9 oktober 2024 een IVA-uitkering.

Gelet op dit alles kan niet worden gezegd dat artikel 7:634 lid 1 BW strijdig is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest. Dit betekent dat de werknemer na 9 oktober 2024 geen vakantie-uren meer heeft opgebouwd, zodat hij ook geen recht heeft op uitbetaling.

Bruto-/netto specificaties

Op grond van het bepaalde in artikel 7:626 BW moet de werkgever aan de werknemer salarisspecificaties verstrekken. Dit verzoek van de werknemer wordt dan ook toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hier een dwangsom aan te verbinden.

Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1215

Disclaimer:

Hoewel aan de inhoud van deze berichtgeving uiterste zorgvuldigheid is betracht, kan Salarisjobs niet aansprakelijk worden gesteld voor het gebruik hiervan.

Bron: Salaris Vanmorgen

 

l>